Kinderen met plasklachten - die overdag nat zijn

Zindelijk worden is een leerproces dat normaal gesproken grotendeels vanzelf gaat. Als een kind van vijf jaar of ouder nog regelmatig nat is, blaasontstekingen houdt en/of moeite heeft om te plassen, wordt dit leerproces verstoord. Dit kan meestal verholpen worden met medicijnen of door een operatie of door een training. In deze folder worden alleen plasproblemen overdag uitgelegd waar met een training iets aan te doen is.

Hoe werkt het plassen normaal?
 

De blaas lijkt op een ballon, die groter en kleiner kan worden afhankelijk van de hoeveelheid vocht die erin zit. Aan het uiteinde van de blaas zitten de sluitspieren (kinderen noemen het de deurtjes) die de plasbuis afsluiten. De plasbuis kan zonder moeite afgesloten blijven tot er een geschikte plaats en tijd is om te plassen. Tijdens het plassen, trekt de blaas samen en de sluitspier en de plasbuis ontspannen zich.

 

Wanneer de blaas zich vult met urine wordt op een gegeven moment de maximale inhoud bereikt. De maximale inhoud van de blaas is groter naarmate het kind ouder wordt. Een kind van 4 jaar heeft maximaal 140 tot 180 ml in de blaas, een kind van 8 jaar wel 250 tot 300 ml.

Wanneer de blaas ‘vol’ is, krijg het kind het gevoel dat het moet plassen. Dat noemen we aandrang. In de normale situatie is dat gevoel van aandrang niet zo sterk dat het kind naar een wc moet rennen. Er kan rustig een wc worden opgezocht. Als de blaas nog niet zo heel vol is, kan het gevoel van aandrang ook weer verdwijnen. De aandrang komt dan na een tijdje, als de blaas nog voller is geworden, weer terug.

Niet trainbare plasklachten

Wanneer kinderen nat zijn, noemt men dit incontinentie. Kinderen met incontinentie zijn nat omdat hun blaas of hun sluitspier (de spier waarmee de plas opgehouden wordt) niet goed functioneert. Daardoor verliezen ze onvrijwillig steeds kleine beetjes plas.
Soms ontstaat incontinentie door een aangeboren afwijking van de blaas- of sluitspier (anatomische incontinentie). Het kan ook zijn dat opdrachten van het zenuwstelsel naar de sluitspier niet doorkomen. De bediening van de spieren is dan verstoord (neurologische incontinentie). In beide gevallen is er een lichamelijke oorzaak voor de plasproblemen.
Deze twee vormen van incontinentie zijn over het algemeen niet trainbaar en worden door de specialist (uroloog, veelal in een academisch ziekenhuis) behandeld en vallen daarom buiten deze folder.

Trainbare plasklachten

Het komt echter ook voor dat de samenwerking tussen blaas en sluitspier niet goed is. Het kind heeft de spieren niet goed onder controle. Dit wordt functionele incontinentie genoemd.
Er bestaat ook nog stressincontinentie. Deze vorm van incontinentie ontstaat door het tekort schieten van de sluitspier en komt bij kinderen niet vaak voor.
Tenslotte bestaat er nog incontinentie door uitstel. In deze folder wordt op deze drie begrippen ingegaan.

Wat is functionele incontinentie?

Het verkeerd gebruiken van blaas- en sluitspieren noemen we functionele incontinentie. Er bestaan twee vormen van functionele incontinentie, namelijk:
• Drangincontinentie
• Incontinentie door verkeerd plassen en/of slecht voelen

Drangincontinentie

Kinderen met drangincontinentie hebben meestal een aandrangprobleem. Door krampen van de blaas hebben ze vaak plotselinge drang om te plassen. Ze gaan veel naar het toilet en plassen kleine beetjes. Een uur of zelfs eerder nadat ze geplast hebben, kunnen ze alweer nodig moeten. Het is een kwestie van afknijpen tot er een toilet gevonden is. Omdat het ophouden van de plas met de sluitspier niet altijd lukt, gebruiken de kinderen speciale ‘ophoudmanieren’. Vaak gaat een kind wiebelen, of hurken met één hak tussen de billen of het kruist de benen in een poging de plas op te houden. Het plassen zelf gaat op de gewone manier: door de sluitspier te ontspannen en in één keer de blaas leeg te plassen. Soms blijft er nog wel wat urine achter in de blaas omdat de kringspier alweer sluit voordat de blaas leeg is. We noemen dit probleem een overactieve blaas. Voor kinderen met zo’n overactieve (eigenwijze) blaas is het heel moeilijk om de plas op te houden en droog te blijven. Deze kinderen hebben dus in veel gevallen regelmatig een natte (onder)broek.
Andere kinderen hebben vaak urineweginfecties of hebben ze gehad. Bij al deze kinderen zit het probleem uitsluitend in de onbeheersbare aandrang; niet in de manier van het plassen.

Incontinentie door verkeerd plassen en/of slecht voelen

Kinderen kunnen ook een verkeerde manier van plassen ontwikkelen of medisch gezegd “dysfunctional voiding” hebben. Zij houden de sluitspier en bekkenbodemspieren constant gespannen. Niet alleen als ze aandrang hebben maar ook tussendoor. De blaas trekt wel samen maar daar letten ze niet op. Ze hebben geleerd de signalen van de blaas te negeren. Ze houden hun sluitspieren gewoon de hele tijd strak om ongelukjes te voorkomen. Je kunt zeggen dat ze voortdurend de noodrem gebruiken. Daardoor lukt het niet meer om de sluitspier tijdens het plassen te ontspannen. Veel kinderen gaan dan buikdruk gebruiken en proberen de blaas met de buikspieren leeg te duwen. Meestal komt de plas dan in kleine beetjes. Hun blaasinhoud is dikwijls groter dan normaal en de blaasspier is minder krachtig. Deze kinderen herkennen plasaandrang vaak niet meer en gaan te weinig plassen. Omdat het constant ophouden eigenlijk te veel is gevraagd van de sluitspier, verliezen deze kinderen regelmatig een beetje urine, zowel overdag als ’s nachts. Er is zo ook een grote kans op een urineweginfectie omdat er vrijwel altijd urine achterblijft in de blaas. Als deze verkeerde wijze van plassen lang blijft bestaan, kan het kind een ‘niet actieve blaas’ ontwikkelen.
Op den duur kan de dikke darm ook last krijgen van dit eindeloze ophouden. Het kind kan kleine beetjes ontlasting verliezen doordat het leegmaken van de darm (poepen) in de war is geraakt. Door het vol zitten van de darmen voelt het kind de aandrang voor urine ook minder goed.

Wat is stressincontinentie?

Weer andere kinderen zijn nat omdat er sprake is van ‘stressincontinentie’. Dit ontstaat door het tekortschieten van de sluitspier. Er is urineverlies in kleine hoeveelheden dat alleen voorkomt als de druk in de buik plotseling toeneemt zoals bij hoesten, niezen, persen, springen, plotselinge bewegingen en sporten. Deze vorm van incontinentie heeft niets te maken met verhoogde geestelijke stress maar met een verhoogde druk (in Engels = stress) in de buikholte. Het komt erg weinig voor bij kinderen en meestal in combinatie met drangincontinentie.

Wat is incontinentie door uitstel?

Er zijn kinderen die af en toe nat zijn terwijl lichamelijk alles normaal werkt. Ze kunnen goed plassen en voelen aandrang maar toch plassen ze soms in hun broek. We noemen dit incontinentie door uitstellen. Het kind reageert niet op signalen van de blaas, gaat weinig uit zichzelf naar het toilet, gunt zichzelf geen tijd om naar het toilet te gaan en doet meestal een hele plas ineens in de broek. Sommige kinderen zijn gewoon zindelijk geweest en krijgen deze klachten pas later, andere kinderen zijn nog nooit een aantal weken achter elkaar droog geweest. Ongeveer de helft van deze kinderen heeft ook andere zindelijkheidsproblemen, zoals bedplassen (enuresis nocturna) en broekpoepen (encopresis). Eén van de opvallende bijkomende verschijnselen bij veel van deze kinderen, is het drukke gedrag (hyperactiviteit). Ze zijn snel afgeleid en kunnen zich moeilijk concentreren. Op school hebben ze bijvoorbeeld moeite met het afmaken van opdrachtjes en thuis zijn ze met veel dingen tegelijk bezig. Ze hebben moeite met stilzitten en springen van de hak op de tak. Kenmerkend zijn bovendien hun impulsiviteit en spontaniteit.

Wat kan er aan gedaan worden?

Er zijn verschillende manieren om deze plasproblemen op te lossen.
Als uw kind last heeft van blaasontstekingen is het allereerst belangrijk dat deze behandeld worden. De arts geeft vaak eerst medicijnen (antibiotica). Nieuwe infecties kunnen met een lage dosis antibiotica, die uw kind langere tijd achter elkaar gebruikt (onderhoudsdosering), worden voorkomen.
Daarnaast is behandeling van de blaas zelf mogelijk. Medicijnen (bijvoorbeeld Dridase®) kunnen een kramperige blaas rustiger maken.
Meestal zijn medicijnen niet voldoende en moet er ook iets aan de oorzaak gedaan worden. Daarom wordt vaak een training geadviseerd.
Dit kan bijvoorbeeld door kinderen te leren zelf de aandrang te herkennen en daarop te reageren of de sluitspier te leren ontspannen tijden het plassen. De blaasproblemen zijn pas opgelost als er sprake is van een goede blaasontlediging en blaasbeheersing.
Veel kinderen met blaasproblemen hebben ook moeite om dagelijks naar het toilet te gaan voor ontlasting. Zij houden de ontlasting op of hebben problemen met de stoelgang door de aanspanning van de bekkenbodemspieren (obstipatie). Om de blaasproblemen de baas te worden, is het behandelen van de obstipatie dus ook noodzakelijk. Dit kan met behulp van medicijnen en toiletinstructies. Deze worden ook tijdens de blaastraining gecontinueerd. Voordat een blaastraining gestart kan worden, kijkt de kinderarts of de darmen niet te vol zitten met ontlasting. Eventueel maakt de kinderarts nog een afspraak voor een buikfoto om te kijken hoeveel ontlasting er in de darmen zit.

Eenvoudige tips voor thuis

Voor alle kinderen is het belangrijk dat ze goed plassen zodat de blaas in één keer leeg komt. Sommige kinderen spannen de sluitspieren aan (‘duwen de deurtjes dicht’) tijdens het plassen, waardoor niet alle plas eruit komt. Daarom is het belangrijk dat uw kind goed op het toilet zit:
• Laat uw kind rustig en ontspannen op het toilet zitten. Zorg ervoor dat de bovenbenen horizontaal (recht) op het toiletbril rusten en de voeten op de grond of een bankje staan (zie tekening). Let er op dat uw kind niet perst tijdens het plassen. De buik moet slap gehouden worden. Dit lukt het beste door zacht en rustig te fluiten, blazen of neuriën.
• Als uw kind de plas te lang ophoudt, is er meer kans dat uw kind nat wordt of de blaas niet meer leeg krijgt. Probeer uw kind zes tot zeven keer per dag te laten plassen. Dit lukt alleen als uw kind ook minimaal zeven keer per dag drinkt.
• Sommige kinderen krijgen medicijnen om de ontlasting (zie vorige pagina) te vergemakkelijken. Dat is vaak niet genoeg. Zorg dat uw kind zich de gewoonte aanleert om twee keer per dag na het eten vijf minuten op het toilet gaat zitten. Om verstopping te voorkomen is het ook belangrijk dat uw kind regelmatig drinkt (1,5 liter per dag).

 
Thuis trainen

Kinderen trainen natuurlijk het liefst thuis. Tijdens bezoeken aan de Plaspoli krijgt het kind voorlichting over de functie van de blaas en de sluitspier. Ook leert het kind tijdens deze bezoeken hoe, wanneer en hoe vaak hij of zij moet plassen. Dit heeft als doel dat het kind zich een nieuw plaspatroon aanleert. Het aanleren van een nieuw plaspatroon lijkt gemakkelijk maar is voor kinderen vaak erg moeilijk. Uitleg en ondersteuning van de trainer kunnen de motivatie vergroten. Uw kind krijgt opdrachten mee naar huis. Hij of zij noteert zelf iedere dag het aantal plassen en zo nodig ook of hij of zij nat of droog is gebleven. U krijgt als ouder/verzorger de rol van enthousiaste supporter. Iedere avond beoordeelt u het resultaat van de opdracht(en) en bekrachtigt dit door bijvoorbeeld een sticker op de lijst te plakken of er een leuke opmerking bij te schrijven. Na een aantal weken moet uw kind terugkomen op de polikliniek om het resultaat te bespreken. Tussentijds vinden ook telefonische afspraken en/of mailcontacten plaats. Bij een goed resultaat kan de training langzaam afgebouwd worden. Bij positieve afronding van de training ontvangt uw kind een diploma.

In sommige gevallen verbetert het plaspatroon weinig en blijft goed resultaat uit. Het kan zijn dat de training voor uw kind nog te moeilijk is of dat het voor uw kind niet het juiste moment is om met de training te starten. Er wordt dan in overleg met de kinderurotherapeute, de kinderarts, de ouder/verzorger en het kind besloten een pauze in te lassen.

Tenslotte

In het algemeen is het zo dat gedurende de training uw kind met kleine stapjes vooruit zal gaan. Soms kan uw kind een terugval hebben. Dit is heel gewoon! Denk maar aan topsport; daar wordt ook het ene moment een goede prestatie geleverd terwijl het de volgende dag weer minder gaat. Wel geldt altijd dat de kans op succes het grootst is als uw kind zelf gemotiveerd is.

    14-06-2012 13:55