Update: Dit artikel maakt deel uit van een uitgebreider overzicht over behandelingen bij incontinentie. Lees ook: Behandelingen bij incontinentie: van training tot medische ingrepen.
Elektrische stimulatie kan een mogelijke behandeling zijn bij incontinentie. Uit onderzoek blijkt dat deze techniek bij een deel van de patiënten de klachten kan verminderen.
Wat is zenuwstimulatie bij incontinentie?
Een team onderzoekers van het Britse North Middlesex University Hospital heeft een techniek onderzocht waarbij zenuwen worden gestimuleerd om de blaas beter te laten functioneren.
De behandeling heet percutane scheenbeenzenuwstimulatie en wordt gebruikt bij mensen met een overactieve blaas of aandrangincontinentie.
Hoe werkt percutane scheenbeenzenuwstimulatie?
Bij deze behandeling wordt met een kleine naald in de kuitspier de scheenbeenzenuw geactiveerd. De naald is gekoppeld aan een apparaat dat elektrische signalen naar de zenuw stuurt.
De behandeling is doorgaans pijnloos en duurt ongeveer dertig minuten per sessie.
Wat zijn de resultaten van deze behandeling?
In het onderzoek werden 43 vrouwen met een gemiddelde leeftijd van 55 jaar behandeld. Deze vrouwen hadden eerder geen succes gehad met andere vormen van behandeling.
Na zes weken liet bijna 70 procent van de deelnemers een duidelijke verbetering zien van de klachten.
Wel blijkt dat de behandeling regelmatig herhaald moet worden. Sommige patiënten merkten dat hun klachten na enkele weken weer toenamen.
Wanneer wordt deze behandeling ingezet?
Zenuwstimulatie wordt meestal toegepast wanneer eerdere behandelingen, zoals oefeningen of medicatie, onvoldoende effect hebben.
Het kan een aanvullende stap zijn in de behandeling van een overactieve blaas of aandrangincontinentie.
Welke hulpmiddelen kunnen extra ondersteuning bieden?
Tijdens behandeling of bij aanhoudende klachten kunnen hulpmiddelen extra zekerheid bieden. Bekijk bijvoorbeeld ons assortiment wasbaar incontinentieondergoed en wasbaar incontinentiebeddengoed.
Meer lezen over behandelingen bij incontinentie
Bron: De Telegraaf